In de rij voor Ter Apel: 'We hebben een probleem, maar komen morgen terug'
Elk uur stopt een bus bij het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel. Per bus stappen enkele mensen uit. Het ene uur zes, dan eens drie, dan weer vijf en een keer eentje. Met grote koffers lopen ze hoopvol richting de poort van het aanmeldcentrum. Maar vandaag krijgen de meesten te horen: geen plek.
"Nieuw?", vraagt de beveiliger bij de poort. Geen reactie. "Asiel?" De zes mannen die tegen twee uur aankomen met de bus knikken. Ze wurmen zich een voor een met hun grote koffer door de draaipoort.
In het Engels legt de beveiliger uit dat ze mogen doorlopen en zich verderop bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) mogen melden. Daar wordt een eerste schifting gemaakt: alleen voor kwetsbare personen is nog plek. In de praktijk komt dat neer op alleenstaande minderjarigen, mensen met medische indicaties en andere kwetsbare mensen als zwangeren, gezinnen, lhbti-personen en mensen die in gevaar kunnen komen door eerwraak.
Polsbandje en briefEn zo komen enkele uren later degenen die zich hoopvol hadden aangemeld gedesillusioneerd terug. Met een loopbrief, een soort bewijs dat ze zich hebben aangemeld met een nummer voor de volgorde. Een oranje polsbandje dat ze hebben gekregen maakt hun situatie nog iets duidelijker en herkenbaarder.
Een van hen is een jonge man met een rode rugzak. "Ze zeiden dat ik later maar eens moet terugkomen. Over een week ofzo", vertelt hij gelaten. Wat hij nu moet doen, weet hij eigenlijk niet. Hij reist eerst naar een grotere stad. "Zwolle bijvoorbeeld. Vandaaruit kijk ik wel weer verder."
Zelf een slaapplek zoekenOok een zojuist gearriveerde man uit Pakistan staat verdwaasd buiten met de loopbrief in zijn hand. Morgen mag hij het opnieuw proberen, in de hoop dat er dan wel plek is. "We hebben een probleem", vertelt hij in gebrekkig Engels, terwijl hij zijn documenten laat zien. Waar hij vanavond moet slapen? Hij heeft geen idee. "Maar morgen kom ik terug."
Om de gestrande nieuwkomers op te vangen is het Rode Kruis aanwezig bij het centrum. "Dit is wat wij verwachtten", zegt Bastiaan van Blokland van de hulporganisatie. "Dat er niet genoeg plek is en mensen hier buiten terechtkomen. Ze worden eigenlijk aan hun lot overgelaten."
Het Rode Kruis deelt water en eten uit. "De minimale benodigdheden om te overleven", aldus Van Blokland. Hoewel het Rode Kruis in no-time sporthallen kan inrichten met bedden, weigeren ze nu zelfstandig slaapplekken te regelen. "De overheid is verantwoordelijk voor de opvang. Wij staan klaar om te helpen, maar zij moeten de regie nemen."
Toch vertrekt niet iedereen met lege handen. Een man die zich gisteravond nog aanmeldde heeft geluk. Hij kreeg een ov-dagkaart en een doorverwijsplek naar het Brabantse Budel. Het COA probeert de druk te verlichten door mensen snel door te plaatsen. "Het is hier te druk, het kamp is vol. Maar ze hebben me snel geholpen."
De middag is voorbij, de avond begint te vallen, en de onzekerheid onder de asielzoekers buiten de poort neemt toe. Niemand lijkt te merken dat de regen is vertrokken en de zon is gaan schijnen.
'Solidariteit nodig'Van Bloklands frustratie is voelbaar: "Er is nu maatschappelijke solidariteit nodig. We hebben een gemeente nodig die zegt: 'Wij openen onze deuren, wij openen die sporthal.' Je kunt deze mensen nu geen zekerheid bieden, behalve dat we er voor ze zijn en dat er naar hen wordt omgekeken. Maar er moet écht meer gebeuren."
Aan de rand van het grasveld worden toiletten neergezet. Van Blokland loopt verder om de vijfentwintig tot dertig mensen die maar zijn gaan zitten water aan te bieden. "Meer kun je nu niet doen."