Pinguïns aan de rand van de Zuidpool broeden steeds eerder
Drie pinguïnsoorten die leven aan de rand van Antarctica gaan steeds eerder broeden. Dat doen ze waarschijnlijk omdat hun leefgebied opwarmt en verandert, schrijven biologen in het wetenschappelijke vakblad Journal of Animal Ecology.
Tien jaar lang volgden de onderzoekers 37 pinguïnkolonies. In die tijd begonnen de adeliepinguïn en stormbandpinguïn gemiddeld tien dagen eerder met broeden. Voor de ezelspinguïn was dat dertien dagen. De soorten zijn verwant en leven in dezelfde regio, maar hun voedsel en gedrag verschilt.
De kolonies wonen vooral op het Antarctisch schiereiland. "Die regio warmt niet alleen op", zegt Ignacio Juarez Martinez, onderzoeker van de Universiteit van Oxford, "het zee-ijs neemt af en het ecosysteem verandert."
Afgelegen gebiedOmdat het een extreem onherbergzaam gebied is, hingen de onderzoekers vijftien jaar geleden 77 camera's op die elk uur een foto maken en de temperatuur meten. Jaarlijks haalden ze de gegevens op, vervingen batterijen en repareerden de camera's.
Het is een gevaarlijke klus. "Je kunt niet over land van kolonie naar kolonie", zegt Juarez Martinez, "het terrein is steil en bedekt met ijs dat vol zit met spleten waar je in kunt vallen." Als ze van de boot gingen was er vaak maar beperkte tijd voor het weer omsloeg. "Het is een ijswereld, indrukwekkend maar fragiel. Je kunt gletsjers horen smelten en kraken. Als ze breken klinkt het als de donder."
"Het is een mooie dataset", zegt Marcel Visser, bioloog bij het Nederlands Instituut voor de Ecologie. Het gebruik van camera's is een van de weinige manieren om soorten te bestuderen in zulke afgelegen gebieden. Visser merkt op dat er grote verschillen zijn tussen kolonies. Tien jaar is nog altijd een beperkte periode. Maar de veranderingen vallen duidelijk samen met de opwarming van het gebied. Bovendien leidt klimaatverandering bij veel andere vogelsoorten ook tot veranderingen in de broedperiode.
De belangrijkste vraag is volgens Visser of het een slecht of juist een goed teken is dat pinguïns hun gedrag veranderen. Op zichzelf zegt zo'n verandering weinig. Je moet kijken naar de omgeving. "Hoe verschuift de beschikbaarheid van hun voedsel?" zegt Visser. Door opwarming is het beste en meeste voedsel van vogelsoorten vaak eerder beschikbaar. Als vogels deze veranderingen bij kunnen benen, lukt het ze om zich aan te passen.
Extreem moeilijk en duur"Alleen kunnen we dat nog niet zeggen", zegt Juarez Martinez. Twee pinguïnsoorten eten vooral krill, een groep diertjes die in enorme aantallen leven in de oceaan rond Antarctica. Er is weinig bekend over eventuele veranderingen. "Om krill te bestuderen moet je ze echt achtervolgen met een schip", zegt Juarez Martinez, "het is extreem moeilijk en duur." Er is dus maar weinig bekend. Duidelijk is wel dat krill zwaar worden bevist.
Hij verwacht dat verder onderzoek meer duidelijkheid kan geven over hoe het met de pinguins gaat. Zo willen ze aan de hand van de foto's kijken of het broedsucces verandert. In het verleden lukte het pinguïns gemiddeld om 1 tot 1,5 kuiken per jaar groot te krijgen. Het is de vraag of dit blijft lukken.
Dit onderzoek is een heidens karwei. Juarez Martinez schat dat de camera's tot dusver 9 miljoen foto's hebben gemaakt. Daarom roepen de onderzoekers hulp in van vrijwilligers. In het project Penguïn Watch bekijken zij foto's, en geven bijvoorbeeld aan hoeveel kuikens ze zien.
Op grond van eerder onderzoek maakt Juarez Martinez zich zorgen over twee van de drie soorten. De stormbandpinguïn en adeliepinguïn nemen op veel plekken af. Al doet de laatste het beter in koudere regio's omdat daar het zee-ijs minder afneemt. De ezelspinguïn lijkt tot dusver een "winnaar" van klimaatverandering. Het dier is minder kieskeurig qua voedsel en kan beter omgaan met voor de zuidpool milde temperaturen.