Mauritshuis mag 25 kunstwerken behouden na rechtszaak om één Frans zinnetje
Het Mauritshuis hoeft 25 kunstwerken die de erfgenamen van kunsthistoricus en oud-museumdirecteur Abraham Bredius opeisten, niet terug te geven. Dat is het oordeel van de rechtbank in Den Haag. De erfgenamen wilden de topstukken terughebben omdat het museum de waardevolle schilderijen in hun ogen te weinig tentoonstelt.
Bredius (1855-1946) was van 1889 tot 1909 directeur van het Mauritshuis. Hij liet in zijn testament opnemen dat het kunstmuseum in Den Haag 25 van zijn zeventiende-eeuwse schilderijen na zijn dood mocht behouden, het museum had ze al in bruikleen. Bredius stelde wel twee voorwaarden: ze mochten niet uitgeleend worden en ze moesten permanent tentoongesteld worden.
Topstukken van RembrandtIn de collectie zitten kopstukken als Saul en David en Twee Afrikaanse mannen van Rembrandt van Rijn, net als werken van Salomon van Ruysdael, Jan Steen en Jan van Goyen.
Het Mauritshuis bewaart de meeste kunstwerken echter in het depot van het museum. Momenteel hangen tien schilderijen 'op zaal', in het verleden waren dat er nog minder. De erfgenamen van Bredius vinden dat het museum de afspraken schendt en dat het daarom de werken kan opeisen. Het Mauritshuis is het daar niet mee eens.
Vertaling van één zinnetjeDe zaak draait in feite om de vertaling van één zinnetje in het Franstalige testament van Bredius. Toen hij zijn testament opstelde, woonde hij in Monaco. Daar schreef hij dat de schilderijen "devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée".
Volgens de nabestaanden staat hier dat de kunstwerken permanent tentoongesteld moeten worden. Het Mauritshuis vertaalt het echter anders. Volgens het museum staat er dat als ze tentoongesteld worden, dit in het Mauritshuis moet zijn. Ook de advocaten van de twee partijen konden het niet eens worden over hoe de woorden 'rester exposés' geïnterpreteerd moesten worden, hoewel ze beiden in Parijs hadden gestudeerd.
De rechtbank heeft hier nu duidelijkheid over gegeven. Het erkent dat er "enige ruimte is voor onzekerheid" over de vertaling van het testament van Bredius, maar stelt ook dat er geen "absolute tentoonstellingsplicht" was geëist door Bredius. Dus mag het museum de schilderijen houden.
'Zorgelijke uitspraak'Eén van de erfgenamen, Otto Kronig, noemt de uitspraak zorgelijk. "De rechtbank is niet uitgegaan van wat Bredius heeft opgeschreven, maar van wat musea tegenwoordig praktisch vinden." De advocaat van de erfgenamen heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan.
Bredius' erfgenamen zijn overigens geen directe familie. Zij zijn familie van Joseph Kronig (1887-1984), een huisgenoot en een belangrijke protégé van de kinderloze en ongehuwde Bredius. Hij was zijn enige erfgenaam.